de Moslimkrant

Koude regels rechtstaat versus medemenselijkheid

Yousouf heeft uitgesproken meningen. In de klas denkt hij goed na over de gebeurtenissen om zich heen. “De aanslag op Charlie Hebdo in Parijs? Nee, dat is geen islam wat die moordenaars aanhangen.” De leerling in de derde klas van de MAVO kijkt bedachtzaam voor zich uit. “Maar die mensen van die krant moeten goed weten dat wanneer zij met de Profeet spotten zulke vreselijke dingen kunnen gebeuren.”

De discussie tussen de 24 klasgenoten is best heftig. Over één ding is dit bonte gezelschap van Surinaamse, Ghanese, Turkse, Marokkaanse en oorspronkelijk Nederlandse kinderen het eens: vrijheid van meningsuiting, prima. Maar elkaar beledigen, geen respect voor elkaar hebben? Dat niet.

Yousouf is verontwaardigd wanneer er negatief over de islam, de koran of de Profeet wordt gesproken. Hij komt in de klas op voor het geloof van zijn ouders en de rest van zijn familie. Ik ben voor hem de eerste Jood die hij aanspreekt. De Gaza- oorlog, het conflict tussen Israël en Palestina, de beelden vanuit het Midden-Oosten roepen heftige reacties bij hem op. Hij spreekt mij daarop aan. Beleefd. Ergens klikt het tussen ons. Toch kan ik niet voorkomen dat er in mijn gedachten gevoelens van onrust opkomen wanneer wij met elkaar in gesprek zijn. Yousouf, zo jong en zo fel. Beantwoorden dit soort jongens aan het wantrouwen en angstgevoelens binnen mijn eigen Joodse gemeenschap wanneer daar over moslims wordt gesproken?

Een week later zitten we met zijn klas voor een workshop bij de rechtbank. De leerlingen krijgen plaatjes gepresenteerd waarop zij zelf moeten formuleren of het publiceren ervan wel of niet strafbaar zouden moeten zijn. Een plaatje van Geert Wilders roept nogal wat reacties op. De Haagse politicus noemt de koran “de islamitische Mein Kampf.” “Verbieden!, roept een meisje. “Die vent moeten ze opsluiten!”, roept een ander. “Weet Geert wel wat er in Mein Kampf staat?”, vraagt een derde leerling.

Meer plaatjes. De juriste legt uit waarom het een wel verboden moet worden op grond van discriminatie of bedreiging terwijl andere teksten of afbeeldingen vanwege de vrijheid van meningsuiting ongestraft blijven. Een spandoek met Jezus en Mohammed samen afgebeeld, wordt getoond. Wegkijkend van de spotprent roept Yousouf: “Mevrouw, waarom laat u ons dat zien? U weet toch dat wij hier helemaal niet naar mogen kijken? Dit is spotten met de Profeet”. Er valt een stilte.

“Verbieden!”, klinkt het. “Nee”, zegt de juriste. “Dit is satire. Dus is het niet strafbaar”. Yousouf kijkt ontstemd voor zich uit en zet zijn blikje cola aan zijn mond. De wereld van de rechtspraak in ons land en Yousouf´s eigen wereld zijn kilometers van elkaar verwijderd.

Het volgende plaatje is voor mij behoorlijk heftig. Een ledikant wordt gedeeld door Adolf Hitler met Anne Frank. Hitler roept: “Schrijf dit maar in jouw dagboek, Anne”. Nu wordt het Yousouf te veel. “Niet strafbaar? Niet verbieden?”. Echt boos kijkt hij de dame die iedere keer uitlegt waarom een afbeelding wel of niet bestraft mag worden. Heftig kijkt Yousouf in het rond. “Mevrouw, weet u wel hoeveel Joden die vent heeft vermoord? Miljoenen! Ja, ook dat kind naast hem in bed heeft hij vermoord! En u zegt dat dit mag?!”

Nu richt Yousouf zich op mij met een soort machteloze blik. Met bewondering knik ik hem toe. Met bewondering, maar ook ontroerd. Een vrome jonge moslim, waarvan ik in mijn achterhoofd weet dat hij bij velen binnen onze Joodse gemeenschap wantrouwen op zal opwekken enkel en alleen maar omdat hij een religieuze moslim is, staat hier op omdat de Jood beledigd, en gekwetst wordt. De regels van de rechtsstaat waar het vrijheid van meningsuiting betreft zijn mogelijk ver verwijderd van Yousouf, maar de afstand tussen Yousouf en mijzelf is heel klein. Naast elkaar lopen wij de zaal uit, de trap af. Samen de buitenwereld in.

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.