de Moslimkrant
windt er geen hoofddoekjes om

Asielzoeker van weleer

Na een lang bewind van natte en donker grijze dagen, schittert weer de zon. Samen met mijn jongste dochter van net drie jaar, zijn we in diergaarde Blijdorp. Een uitgestrekte dierentuin waar je het aangename gevoel kan koesteren dat je niet naar gekooide dieren gaat kijken, maar een dagje deel uit maakt van hun biotoop waar ze allemaal ruimte hebben om hun bijzondere schoonheid tentoon te stellen.

Op deze aangenaam zonnige dag in het uitgestrekte Blijdorp eindigen we ineens in een heel benauwend hoekje van de Hollandse geestesgesteldheid. Met de net gekochte sapjes gaan we loom zitten op de rijkelijk met kussens bedekte bankjes tegenover de sappen- en wafelkiosk. Schuin naast ons is een groot gezin gestrand. Drie generaties, picobello verzorgd, glad geschoren mannen, haren gemillimeterd, gerestylede vrouwen, de kids met kleren alsof ze net uit C&A zijn geplukt. Drie generaties sportief met Nike en Puma’s aan de voeten, van de jonge baby tot de oude opa.

Welvarend Hollands, denk ik bij mezelf. Maar dan verfijn ik mijn oordeel. Ik hoor een stug Rotterdams accent en de rauwe omgang met elkaar. Het levende bewijs van de succesvolle emancipatie van de vroegere arbeiders -opgeklommen tot de middenklasse van vandaag- met niet minder dan twee verre vakanties per jaar, twee auto’s en een stuk of wat laptops en tablets per huishouden.

De opa, zo te zien, heeft meer dan de rest van de familie de hardheid van het arbeidersleven gekend. De zonnige welvaart zou hem het meest aangenaam maken. Niets is minder waar. Opa is de luidste van allemaal, en dat op zijn Rotterdams! Praat over asielzoekers als “Stelletje profiteurs, denken dat het hier Luilekkerland is. Schop onder de kont moeten ze krijgen, terug naar Verweggistan, opgeruimd staat netjes!”

De media stond die dag bomvol alarmerende waarschuwingen van staatssecretaris Teeven over grote aantallen nieuwe Eritrese asielzoekers en opa stemde zo te horen daarin toe: “Ze leven in luxe hotels hier van onze belastinggelden. Dit is toch idioot, waarom doen we ons dit aan?!” vraagt opa retorisch, alvorens over te gaan op een tirade over luie kanker asielzoekers.

Ik, de asielzoeker van weleer, zwijg en dank God dat mijn oudste kinderen van acht en twaalf jaar er niet bij zijn. Want hoe had ik ze moeten beschermen tegen die beledigende tirade? Kleine Lara vindt godzijdank de Rotterdamse brompot niet interessant en heeft niet door dat het hier ook om de voorgeschiedenis van haar vader gaat.

Wij lopen stilletjes weg, de tirade van de Rotterdamse opa houdt maar niet op. Ik heb te doen met zijn kleinkinderen die niet weg kunnen lopen. Ik heb ook te doen met mijn eigen kinderen die in zo’n giftige xenofobe levensklimaat moeten opgroeien. Maar vooral heb ik te doen met Nederland, het land dat mij en mijn lotgenoten ooit met open armen had ontvangen. Wij, de pleegkinderen van Nederland, de asielzoekers van weleer, kwamen dankzij een ware humane opvang in volle bloei.

Wij zouden nu juist in staat zijn om de brug te slaan tussen Nederland en de wijde wereld van globalisering, die Nederlanders deze dagen verwart en doet huiveren. Maar wij hebben geen zin om tegen de teneur van het doemdenken dat Nederland heeft omsingeld, in de aanval te gaan. Wij lopen stilletjes weg….

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.