de Moslimkrant
windt er geen hoofddoekjes om

Don Quichot en het Kalifaat – Maurits Berger

Ik heb onlangs enkele propagandafilms van IS bekeken. Geweldig, prachtig. Jonge kerels in de kracht van hun leven, mooie koppen, gekamde baarden, stralend witte lach, martiale poses. Veel kinderen ook. Wat zijn ze toch lief voor de kinderen. Geen oudere te zien. Geen vrouw te zien. Geen christen te zien. Wel veel buitenlanders, die allemaal vernoemd waren naar hun land van herkomst: al-Britani, al-Belgiki, al-Fransi, al-Tunisi. De een was nog gelukkiger dan de ander. Een paar dingen vielen mij op:

Het eerste is dat ze allemaal in religieuze formules spreken in klassiek fusha Arabisch, en allemaal een zelfde soort kleding dragen. Niemand in de Arabische wereld spreekt zo, of kleedt zich zo. Behalve in de series die worden vertoond tijdens de Ramadan met verhalen over gebeurtenissen uit het leven van de profeet, en waarin de 21ste eeuwse regisseurs hebben bepaald hoe iedereen is gekleed, en dat iedereen het moderne fusha Arabisch spreekt zoals de journaallezers dat doen. De gelovigen zeggen natuurlijk dat zij zich spiegelen aan hun profeet, zoals deze is weergegeven in de hadith . Maar ik denk dat zij veel televisie hebben gekeken. Net zoals zij veel filmpjes hebben bekeken van onthoofdingen en andere gruweldaden. We leven immers in een tijd waarin het beeldscherm meer bepalend is voor wat waarheid is dan de wereld daarbuiten.

Het tweede dat mij opviel is dat er over IS wordt gesproken als een heilstaat: een samenleving waar iedereen in geluk en welzijn leeft volgens islamitische mores. Geen drank, zedeloosheid, vrouwen of andere vormen van verleiding waar je als man zo moeilijk weerstand aan kan bieden. Eindelijk is er dan een plek op aarde vrij van zonde.

Tenslotte is het opvallend dat ze over IS spreken als over een thuisland: een land waar je eindelijk jezelf kunt zijn, en onder elkaar kunt zijn, vrij van vernedering en van discriminatie. Een land, ook, waar je een nieuw leven kunt beginnen – en hier krijgt het begrip hidjra opeens zo een bijzondere invulling: in het Arabisch betekent dat migratie, maar in de profetische traditie betekende deze migratie van Mekka naar Medina een radicale breuk met een samenleving die was gebaseerd op stam- en familieverbanden, en een nieuw begin in een samenleving die werd gevorm door de religieuze band van de umma .

Geen wonder dat dit zo’n aantrekkingskracht heeft op zoveel moslims. En die aantrekkingskracht bestaat al langer. In de periode tussen 1995 en 2002, toen ik in het Midden-Oosten woonde, heb ik herhaaldelijk aan mensen gevraagd of zij een islamitische staat wilden. Het antwoord was bijna unaniem bevestigend. Maar op de vraag of er nu een moslimland was dat als voorbeeld voor een dergelijke islamitische staat zou kunnen dienen, was het antwoord unaniem ontkennend, zelfs als het ging om landen als Saoedi-Arabië (‘te corrupt’), Iran (‘Khomeinisme’) of het Afghanistan van de Taliban (‘barbaren’). Men volstond met het omschrijven van de ‘islamitische staat’ in fotonegatief, namelijk, in termen van wat het niet is: het is niet dit land, het is niet deze samenleving, het is niet Syrië, Egypte of Marokko. Maar wat dan wel? Dan werden de schouders opgetrokken: “In ieder geval niet dit.” En zo blijft het droombeeld, de utopie, in stand.

Maar als er dan een entiteit in het Midden-Oosten wordt gevestigd dat zichzelf islamitische staat noemt, dan is het niet vreemd dat daar gespannen naar wordt gekeken: gaat dan eindelijk de droom van een islamitische heilstaat in vervulling, krijgen moslims dan eindelijk hun thuisland? Is het veertien eeuwen na de hidjra van de Profeet tijd voor een tweede hidjra ?

Dit klinkt prachtig, maar we weten dat de feiten anders zijn. IS komt tot stand op grondvesten van bloed, geweld en gruweldaden. Het is des te schokkender dat jonge moslims vasthouden aan het beeld van de utopische heilstaat. Zouden zij inderdaad zo bloeddorstig zijn, is islam inderdaad een religie van dood en verderf?

Daar lijkt het soms wel op. Tegelijkertijd zijn er vele malen meer moslims die in hun dagelijks leven bewijzen hoezeer islam een religie van vrede en tolerantie is. Hoe zouden die jongeren dan onderling met elkaar over IS spreken? Kom, we gaan lekker kafir s dood maken en christenvrouwen verkrachten? Ik vermoed van niet. Ze zullen praten in abstracties, over hogere doelen en heilige strijd, iets waarvan je denkt dat het eindelijk zin geeft aan jouw verder zinloze bestaan, iets waarvoor je bereid bent je leven te geven. Opnieuw de utopie.

Wat mij opvalt is dat de enkele jongeling die met de pers spreekt over IS, vaak heel vergoelijkend praat, in de zin van: ‘de Amerikanen hebben in Irak meer mensen gedood’, of: ‘als er wordt gestreden vallen er slachtoffers’, of: ‘het zijn allemaal verzinsels van de media om de islam zwart te maken.’ Blijkbaar is er hen veel aan gelegen om de utopie in stand te houden. Een student vertelde mij over zijn Bosnische vrienden van wie er één naar Syrië was gegaan om te vechten, en volledig gedesillusioneerd terugkwam, maar toen hij zijn vrienden vertelde dat de oorlog daar niets met een jihad te maken had, werd hij door zijn vrienden niet geloofd en uitgemaakt voor kafir .

Daar is niet tegen op te boksen. Dit zijn jonge radicale moslims die net als Don Quichot leven met een droombeeld, en daarvoor willen vechten. Wij, de omstanders, zijn als zijn hulpje Sancho Panza die ziet dat het om luchtspiegelingen gaat, maar slechts mee hobbelt op een ezeltje en niet bij machte is om Don Quichot op andere gedachten te brengen. Het droombeeld is blijkbaar sterker dan de werkelijkheid.

Wat is er gebeurd? Hoe zijn wij die jongelui kwijt geraakt? Hoe zijn zij hun blik op de realiteit kwijtgeraakt? Waarom die sterke behoefte aan een droomwereld? Was de afgelopen tien jaar, na de moord op Theo van Gogh, niet keihard gewerkt om dit soort radicalisering tegen te gaan? Wat is er dan mis gegaan? Was er niet onlangs weer een rapport van het Centraal Bureau voor Statistiek uitgekomen dat de tweede generatie allochtonen zich gelukkiger voelen dan de eerste generatie, en dat onder hen de Marokkanen zich met 87 procent het meest gelukkig voelen?

Ik zal niet beweren dat ik weet hoe het zit. Volgens mij tasten wij allemaal in het duister. Ik heb wel mijn vermoedens. Het gaat niet om welzijn of geluk. Het gaat om behoren. Simpel gezegd bestaat aan de zijde van de moslims de vraag ‘ mogen we hier wel zijn?’, en aan de zijde van de rest van de Nederlanders de vraag ‘ willen jullie hier wel zijn?’

Ik wil hier nadrukkelijk niets goedpraten, zo van: die arme moslims hebben het zo zwaar en mogen zichzelf niet zijn, en dus is het logisch dat ze radicaliseren of naar dat kalifaat willen. Laten we voorop stellen dat ieder van hen een eigen verantwoordelijkheid heeft, en eigen keuzes maakt. De vraag die wij ons vandaag stellen, is: hebben wij eigenlijk wel een probleem?

Als we deze vraag toespitsen op de kwestie van IS, dan is er zonder meer sprake van een heel ernstig probleem voor de mensen daar. Laten we duidelijk zijn: die heilstaat is een terreurstaat.

De vraag of IS ook een probleem is voor Nederland ligt wat ingewikkelder. Natuurlijk is sprake van verbijstering over de moslims die IS een warm hart toedragen. Wat voor een verknipte idioot moet je dan wel niet zijn? Of moeten we geloven dat het hier vooral om provocaties gaat? Of zijn het verblinde Don Quichots die niet van een droombeeld afgepraat willen worden?

Er is ook een praktische dimensie. Moeten we deze mensen verhinderen om daar naar toe te gaan, omdat we ze dan toestaan zich in te laten met een terroristische organisatie? Moeten we ze tegen zichzelf beschermen? Maar moeten we dan ook niet tevens de Koerdische Nederlanders tegenhouden, zeker nu is gebleken dat de Koerden zich in hun strijd tegen IS en aanverwanten ook te buiten gaan aan gruweldaden? Of moeten we ze allemaal laten gaan, en pas bij eventuele terugkeer aanspreken op hun daden? Of zijn ze dan juist extra gevaarlijk?

Je zou dan tenslotte, als uitsmijter, kunnen betogen dat het om een dusdanig klein aantal mensen gaat dat het de moeite niet loont dat we ons daar gemeenschappelijk zo enorm over opwinden. Laat Justitie, AIVD en NCTV zich met die enkelingen bezig houden, maar laten we ons geen angstsyndroom aanpraten. Voor dat argument is wel wat te zeggen.

Maar toch. Het mag dan gaan om relatief kleine aantallen, ik maak mij grote zorgen over twee belangrijke onderstromen die deze kleine aantallen voeden, en zullen blijven voeden als we niets doen. Die onderstromen komend overeen met de twee vragen die ik net vermeldde.

Aan de kant van de moslimgemeenschap bestaat de vraag ‘ mogen we hier wel zijn?’ Die vraag komt voort uit een onvrede die breed leeft onder de moslimgemeenschap over de wijze waarop Nederland hun identiteit beziet – samengevat in Wilders adagio ‘Ik heb niets tegen moslims, maar wel tegen islam’. Mijn zorg is dat deze onvrede steeds meer in islamitische termen wordt gevat.

We weten dat de Nederlandse moslimgemeenschap weinig of geen politieke en religieuze leiders heeft. We weten ook dat de jonge generatie meer vervuld is van een puristische visie op de islam dan de vorige generatie. Op zich niets mis mee. Maar wie heeft er, bij gebrek aan moslimgeleerden in Nederland, dan de autoriteit om die onvrede te vertolken? Dat is de jongeling die zich puriteins opstelt, beweert toegang te hebben tot de bronteksten wegens zijn kennis van het Arabisch, en – niet onbelangrijk – het lef heeft om de gevestigde orde in Nederland uit te dagen.

Zo kan Don Quichot in zijn eigen illusies blijven geloven, en blijft de rest van de moslimgemeenschap daar als Sancho Panza achteraan rennen – hoofdschuddend, maar met liefde voor de enigszins ontspoorde lotgenoot, en met stille bewondering voor zijn standvastigheid.

Bij deze wil ik de volgende oproep doen aan de moslimgemeenschap: steek uw geld niet de in bouw van de zoveelste prachtige en nog grotere moskee, maar in opleiding van uw eigen geestelijkheid, een nieuwe generatie van weldenkende Nederlandse culama . En wees niet afwachtend richting de overheid, hopend en daardoor vaak teleurgesteld over wat die voor u zou moeten doen. Degenen die wij radicale moslims noemen hebben zich al onttrokken aan die afhankelijkheid, en zij nemen het heft in eigen handen, zij het op een uitdagende en vaak zelfs agressieve wijze. Nu u nog. En zorg dat islam, als religie van het leven, niet wordt gekaapt door de mensen die islam bezien als cultus van de dood.

De tweede onderstroom waar ik mij zorgen over maak heeft te maken met de vraag die veel Nederlanders voorhouden aan de moslims: ‘ willen jullie hier wel zijn?’ Ik meen dat, hoezeer wij die radicale jongelui ook zouden kunnen begrijpen, of hun aantallen kunnen relativeren, en hoezeer wij de angsten over islam en moslims kunnen wegwuiven, er sprake is van onrust en angst die destabiliserend werkt voor Nederland. Dat is niet alleen vanwege de radicale manier waarop deze enkele moslims opereren, maar vanwege de radicale omwentelingen die in Nederland plaatsvinden.

Nederland voelt zich bedreigd. Niet alleen door internationale gebeurtenissen. Maar bedreigd in haar wezen. Door een aantasting van het vertrouwen in oude instituten: politiek, banken, de rechterlijke macht, de advocatuur, de wetenschappers, de medici. Natuurlijk, het gaat vaak slechts om de befaamde rotte appel, een enkel incident van oplichting of misbruik van bevoegdheden, maar de gevolgen zijn enorm. Waar is onze ideale samenleving waar je autoriteiten kunt vertrouwen en van elkaar op aan kunt?

Maar er is meer. De bedreiging komt niet alleen van incompetente of corrupte autoriteiten, maar ook van buitenaf. Er is de bezorgdheid en boosheid dat migratie onze welvaartsstaat destabiliseert, dat Europa vertelt wat wij moeten doen, dat Surinamers en Antillianen willen dat Zwarte Piet verdwijnt, en dat moslims vinden dat wij Nederland-vreemde omgangsvormen moeten accepteren. Hebben wij nog zeggenschap over wie wij zijn of willen zijn?

Het gaat dus om meer dan moslims en islam, maar veel van deze vrees spitst zich daar wel op toe. Soms terecht, soms niet. Maar zolang Nederland in de greep is van bevolkingsgroepen die elkaar van een afstandje bekijken, met weinig vertrouwen over en weer dat op elkaar gerekend kan worden als het er op aan komt, dan hebben wij een probleem.

Regelmatig is gepoogd om het eigen gelijk te halen via rechtszaken. Steeds weer wordt dan door de rechters opgemerkt dat het niet aan de rechtspraak is om scheve maatschappelijke verhoudingen recht te trekken, maar aan de mensen zelf. Ik meen dat dit een terechte opvatting is, hoezeer ook wordt uitgegaan van de verkeerde vooronderstelling dat het gelijke partijen betreft. De moslimgemeenschap, onderling verdeeld, onvoldoende georganiseerd, met weinig politieke en religieuze autoriteiten, en al helemaal geen financiële middelen, is geen volwaardige partij in een omgeving met een bestaande politieke, maatschappelijke en media infrastructuur. Maar toch, we zullen het er mee moeten doen.

En ook hierover wil ik een oproep doen, ditmaal gericht aan de overheid, en met name de regering. Ik vind dat u zich nog steeds onvoldoende opstelt als een overheid voor alle Nederlanders. Ik snap dat u zich niet wenst te branden aan alle openbare kritieken en meningen. Maar ik zou toch menen dat de vrijheid van meningsuiting ook voor u geldt. Duidelijke uitspraken over bepaalde kwesties die de grenzen van grondwettelijkheid of betamelijkheid overschrijden zou veel klaarheid brengen, met name bij de moslimgemeenschap die zich vogelvrij voelt. Een soortgelijke oproep richt ik ook tot de AIVD en NCTV. Uit persoonlijke waarneming kan ik u zeggen dat moslims niet het idee hebben dat deze organisaties er ook zijn om hun te beschermen, en ik heb gemerkt dat medewerkers van die organisaties er inderdaad ook zo over denken.

Het zal u duidelijk zijn dat ik mij niet echt bekommer om Don Quichot. Op een gegeven moment raakt hij uitgeput of loopt zich te pletter tegen een van zijn droombeelden. Veel meer zorgen maak ik mij om wie er na hem komt – de volgende generatie. Immers, de jonge radicale types waar wij ons tien jaar geleden zo over opwonden zijn grotendeels verdwenen, maar blijkbaar is de voedingsbodem voor radicalisering nog steeds aanwezig.

In de afgelopen tien jaar hebben we daar blijkbaar niet de vinger achter kunnen krijgen. Laten we dat voor de komende tien jaar wel proberen te doen. Wij zijn de Manchu Panzas, en wij moeten niet langer bezorgd met Don Quichot meehobbelen, maar hem aan zijn mouw trekken en laten zien dat je droombeelden in je eigen land kunt en moet realiseren. Want dat is een ideaal waar alle Nederlanders naar snakken.

DON QUICHOT EN HET KALIFAAT schreef en sprak Maurits Berger uit voor de eerste Moslimkrant lezing op dinsdag 28 oktober 2014. Prof. dr. mr. Maurits Berger is hoogleraar Islam in de hedendaagse Westerse wereld aan de Universiteit Leiden.

Copyright. De Moslimkrant.nl

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.