de Moslimkrant
windt er geen hoofddoekjes om

‘Ik ben bang!’

Foto: Reuters

Terwijl de barbecue nog pruttelt met de laatste worsten en kipfiletreepjes gedrenkt in ketjapsaus, borrelen we aan tafel met vrienden nog na. Langzaam treedt het schemerdonker in en gaat de drukkende warmte in Rabat over in een aangename zomerse temperatuur. Het is gezellig. Het gesprek kabbelt, net als de temperatuur, uiterst aangenaam voort. De jongens zitten aan tafel en luisteren mee. Het wordt laat. Het is vakantie en dus doet het er allemaal even niet toe.

Opeens klinken onophoudelijk knallen door de lucht. Redelijk dichtbij ook. De volwassenen aan tafel lachen hard als ik roep: “een aanslag”. Maar het woord zweeft nog nauwelijks in de lucht of ik zie de gezichten van onze jongens betrekken. In een flits heb ik alweer spijt van mijn quasi nonchalance met woorden.

Max, de oudste, spreekt het uit: “Ik ben bang, mama!” Hij staat op het punt te gaan huilen terwijl Sam ook een angstige blik in de ogen heeft, “ik wil naar huis” zegt en het knallen doorgaat.

Nice is net een paar dagen oud, Turkije smeult nog na en we hebben er niet echt veel aan gedaan om het voor ze te verbergen. De TV staat gewoon aan en dus krijg je vragen als “Waarom? Wie zijn dat dan. Hoe doen ze dat?”

Nu horen ze iets wat daar op lijkt en geeft onze duiding ervan aanleiding om die knallen ook daaraan te koppelen. Voor het eerst zie ik de angst voor wat in de wereld gebeurt in de ogen van onze kinderen weerspiegelen. En ik besef dat ze voelen dat ze in een ander land leven, een moslimland en dat zij anders zijn dan de meerderheid. Knallen, aanslagen, terrorisme, moslims. Ga dat maar eens nuanceren als vader aan je kinderen terwijl de angst in hun lijven zit.

Alle vier zoeken we naar een manier om hen rustig te krijgen. Max hangt bij mijn vrouw in de armen en ook Sam hangt aan haar. Ze steken hun handen uit naar mij. Op zulke momenten hebben ze sterk die neiging, moeten we de verbinding met zijn vieren maken. Het gezin als veilige haven.

Het knallen is opgehouden. “Het is vuurwerk geweest bij de Mega Mall”, horen we. Onze vrienden hebben het bij hun bewaker nagevraagd.

De angst bedaart. De ogen kijken minder onrustig. “Gaan we zo naar huis?”, vragen de jongens. Ze willen weg. Terwijl ik denk: als het een aanslag zou zijn, kun je beter even blijven zitten. Maar ons huis in Rabat staat voor thuis. En thuis is veilig.

“Jongens, het is over. Geen zorgen. Marokko is veilig. Echt. En ze doen hier heel veel om het veilig te houden.” Mijn vrouw Monique spreekt heel rustig tegen ze. Ik zwijg.

“Dat weet ik wel mama, maar ik ben gewoon even bang!”

“Dat mag ook, en dat snap ik ook zo goed dat je van onze woorden en die knallen schrikt.”

Ze hangen beiden nog wat rond hun moeder. Heel langzaam keert de rust terug. Zonder het te bespreken zetten we de gesprekken nog even voort, om ze te laten voelen dat als we vertrekken dit los staat van wat er net is gebeurd. Alsof we ‘de beladenheid’ kunnen ontladen. Dan vertrekken we. In alle rust. De jongens vallen op de achterbank in slaap.

We kiezen er zelf voor om de beelden van Nice, Turkije, Bagdad of Medina de huiskamer binnen te laten komen terwijl de jongens in de kamer rondlopen. Erover te vertellen en te duiden, te nuanceren, niet zwart-wit maken wat complex is. En aan te geven wat in onze ogen niet kan of mag. Zonder nadruk, niet verschuilen en verhullen.

In de nachtelijke uren staar ik naar de sterrenhemel in Marokko. Ik denk aan al die leiders, anonieme facebookers en twitteraars, aan mensen die de ander op enig moment uit het oog zijn verloren, bang zijn geworden voor de ander, zijn gaan haten. Wat vertellen die mensen ’s avonds voor het slapen gaan hun kinderen? Wat voor geestelijke voeding geef je hen? Wat plant je in een nieuwe generatie? Zeg je hen wat je denkt, roept en schreeuwt in het publieke domein?
Ik vrees, maar blijf hopen.

Ik wens niet te wijken, blijf zoeken naar verbinding, terwijl ik weet dat ook bij mij het oordelen, veroordelen en uit het oog verliezen van de ander altijd om de hoek loert. Ik hoop mijn jongens te voeden met wat leven geeft. Dat twijfelen mag, dat bang zijn mag, dat onzekerheid goed is en op zijn tijd boos zijn ook. Omdat je dan vragen blijft stellen en blijft zoeken. Ik hoop dat ze het voelen van hun moeder Monique en mij. Dat wat geborgd is in ons, zijn weg vindt naar hen. Dat ons leven hier in Marokko bijdraagt tot iets: een brede en open blik op mensen en de wereld.

Of zoiets.

Eigenlijk heb ik geen idee, alleen maar hoop. Vannacht leef ik in hoopvolle somberheid.

Thijs Kolster woont met zijn gezin in Marokko en schrijft sinds 2015 een wekelijks blog onder de titel ‘Verhalen uit Marokko’. Vanaf april 2016 is hij vaste columnist voor De Moslimkrant. Thijs kijkt met zowel de blik van een buitenstaander en als ingezetene naar Marokko. Dat maakt zijn blik interessant. Op die manier laat hij ons op een luchtige manier kennis maken met Marokko. De blogs van Thijs zijn te lezen op www.verhalenuitmarokko.wordpress.com. Zomer 2015 verscheen zijn eerste bundel ‘Openstaander; verhalen uit Marokko’ (te koop op bol.com).

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.