de Moslimkrant
windt er geen hoofddoekjes om

In de schaduw van het sacraal…of erbuiten?

In zijn nieuwste boek Vrouwen van de Islam, in de schaduw van het sacraal , gaat Mustapha Aarab in op het denigrerende beeld van de vrouw in de wereld van de islam. Hoe heeft dit beeld door de eeuwen heen en in de alledaagse praktijk steeds aan kracht kunnen winnen, terwijl in de sacrale teksten als de Koran, hier weinig tot geen basis voor is, vraagt de schrijver zich af. In zijn zoektocht naar bronnen laat hij geen document onbelicht. Minutieus en zonder schroom analyseert hij erop los en laat hij dialogen van toen weer tot leven komen.

Aarabs conclusie is helder: Om hun eigen beeld van de vrouw te legitimeren, zijnde het beeld van vrouw als lichaam en niet dat van mens, hebben Arabieren postuum alles aan de Profeet toegeschreven. Deze kon dit beeld, honderden jaren na zijn dood, moeilijk weerleggen. Zo werd de opmerking: ‘In elke kamer een zweep’ aan de Profeet toegeschreven, terwijl volgens Aarab uit niets blijkt dat de Profeet zijn vrouwen, niet minder dan twaalf of dertien, sloeg. Integendeel, beweert Aarab, want de Profeet had juist gezegd: Onbegrijpelijk dat een man overdag de vrouw slaat die hij ‘s nachts bemint.

Moslimgeleerden zijn het erover eens dat met de komst van de islam, de positie van de vrouw sterk verbeterde ten opzichte van de barbarij uit de Djahiliya. Aarab haalt George Zaidan aan die korte metten met deze stelling maakt. Zie de Profeet die in dienst treedt van Khadija bint Khowaylid, een rijke, zelfstandige en gerespecteerde werkgever. Wie heeft het hier voor het zeggen, wil Zaidan maar zeggen.

Maar zelfs als de Koran de positie van de vrouw verbeterde, hebben de overleveraars in de eeuwen daarna, flink aan deze positie geknaagd en er een eigen doctrine voor in de plaats bedacht? Aarab wijst naar de feiten: In het pre-islamitische tijdperk waren er weinig tot geen slavinnen en zo stond de vrouw van nature sterk. Bijna tweehonderd jaar na de komst van de islam, bezat Kalief Harun ar-rasheed, nota bene de emir der gelovigen, een harem met driehonderd tot tweeduizend slavinnen.

Nu gaan de islamitische samenlevingen volgens Aarab gebukt onder het juk van ongeletterdheid, wanhoop en armoede in combinatie met orthodoxie, beschermd door de machthebbers. Al is gebukt geen juist woord, het volk steunt immers de orthodoxen en de orthodoxen steunen meestal de machthebbers. Dit doet het ergste vrezen voor de positie van de vrouw.

Terwijl Aarab de teksten van de overlevering tegen het licht houdt, die van de rede en de logica welteverstaan, stuit hij op een grenzeloze naïviteit en contradictie in de onderlinge dialogen van de overleveraars en de wijze waarop hun teksten tot stand kwamen. Mooie bijvangst, me dunkt.

Aarab stelt evenwel vast: Het probleem ligt niet in wat de Koran over bepaalde kwesties zegt, het ligt in wat de gelovige daarvan begrijpt ‘en daarmee doet’. Maar is dat wel zo? Kunnen wij de geleerde overleveraars van toen gebrek aan begrip toeschrijven of hebben zij zaken bewust in een bepaalde richting geïnterpreteerd? Of zit dit besloten in de zinsnede ‘en daarmee doet?’ Oordeel zelf.

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.