de Moslimkrant
windt er geen hoofddoekjes om

Syrië in Turkije

Ine Smeets verblijft enige maanden in het Turkse stadje Reyhanli, vlakbij de Syrische grens. Daar geeft ze Engelse les aan Syrische vrouwen en meisjes die gevlucht zijn. Tweewekelijks verhaalt zij van haar belevenissen in Turkije.

Tot een aantal jaar geleden was Reyhanli nog een vrij ingeslapen stadje. Iedereen leefde hier rustig en profiteerde ingetogen van het vertier dat de kilometerslange hoofdstraat te bieden heeft – veel meer dan een lint met uitbouwing is Reyhanli niet. Je hoort veel Syriërs klagen over de dooie boel die Reyhanli in hun ogen is. Inderdaad, recreatiemogelijkheden zijn er hier niet in overvloed, maar achter hun geklaag gaat natuurlijk een schat aan verhalen schuil.

Turkije is hun land niet, en zal dat, te oordelen naar hun verhalen, ook niet snel worden. Zelfs na een een- of meerjarig verblijf in Turkije is de lust er niet om Turks te leren. Ze blijven praten over hun gewoontes en eten van ‘thuis’. Het thuis dat hun thuis niet meer is.

Reyhanli is nu booming , dankzij de vluchtelingeneconomie. Hotels schieten hier als paddestoelen uit de grond. Syriërs die in Syrië een eigen restaurantje hadden, openen hier een nieuwe zaak. Met het grootste gemak vind je hier authentieke Aleppijnse falafel, of de baklava zoals alleen Syriërs die kunnen maken. Je waant je hier in Syrië. Turks leren is niet echt noodzakelijk, want bijna iedereen spreekt hier Arabisch en is vaak van origine Arabisch. Tref je in de winkel geen Syriër, dan toch zeker wel een Turk die Arabisch spreekt. Vroeger behoorde dit deel van Turkije Syrië toe, vertelt elke Syriër me.

Misschien komt daar ook wel het Turkse chagrijn vandaan. Ze voelen dat hun stad overgenomen wordt door Syriërs. De contacten tussen Turken en Syriërs verlopen niet altijd even soepel. Syriërs pikken de banen van Turken in omdat ze goedkoper zijn en omdat ze en masse toegestroomd zijn, drukken ze een duidelijk stempel op de Reyhanlese samenleving. Een typische Syriër houdt van sahra, laat opblijven, terwijl een Turk eerder vol is van de ochtendstond. En waar veel Turkse vrouwen in strakke broek en korte mouwen over straat gaan, hullen veel Syrische vrouwen zich in lange mantels en soms niqaabs.

Ondertussen weet je dat de ettelijke ambulances die hier dagelijks voorbijrazen Syrische gewonden vervoeren. Ze worden opgehaald bij de grens en in allerijl naar Turkse ziekenhuizen vervoerd. In het hotel dat bij uitstek goede zaken doet, verblijft standaard een ploeg ambulancebroeders, die elkaar in toerbeurten afwisselen. Genoeg werk aan de winkel tenslotte.

De oorlog is hier vlakbij, een paar kilometer verderop woedt hij volop verder. Voor een ongeoefend oorlogsoor is het wel even schrikken als je op straat opeens geweerschoten hoort. Is het zover? Zijn ze de grens overgekomen? Toch niet. Het is een macabere voortzetting van oude tradities: geluksschoten afgevuurd tijdens een bruiloft, ter versterking van het huwelijksgeluk. Yalla, kheir…

En zo rijgen de dagen zich hier aaneen. Voor mij, voor de Turken, voor de Syriërs. De tijd gaat snel. Syriërs die hun land verlieten, dachten ongetwijfeld dat ze terug zouden keren, zo snel mogelijk. Maar snel blijkt het niet te gaan. Onbewust aarzelen Syriërs om hun leven hier voort te zetten. Turks leren, een huis inrichten en je settelen, lijkt op toegeven dat je niet snel terug zult keren. Helaas lijkt dat wel de realiteit.

© de Moslimkrant.nl, alle rechten voorbehouden.